Ga naar hoofdinhoud

Build and Release Pipelines

1: Alleen voor de eerste Stage in de Release Pipeline, daarna wordt dezelfde Artifact in sequentiële volgorde gebruikt voor de overige Stages.

Release pipeline voor CMS

Voor het toevoegen van een Stage aan een release pipeline kies het Iprox.Cms Headless 2.0 DEV of Iprox.Cms Headless 2.0 PROD template. Let op dat deze 2 vinken essentieel zijn:

Additional Deployment Options

  • Remove additional files at destination
  • Exclude files from the App_Data folder

Build Pipeline voor API

Deze stap hoeft per omgeving maar één keer uitgevoerd te worden. Daarna wordt dezelfde Artifact in de rest van de Release Pipeline voor de API omgeving gebruikt.

  1. Maak een nieuwe Build Pipeline aan met een toepasselijke naam van de omgeving op basis van de azure-pipelines.yml in de repository Iprox.OpenApi.Release.
  2. Pas de variabelen aan naar gelang de betreffende omgeving, zie iprox.open-api.release

Release pipeline voor API

  1. Indien het de eerste Stage in de release pipeline betreft, schakel Continuous deployment trigger in. Alle andere Stages komen er sequentieel achter en kunnen pas geactiveerd worden als de vorige geslaagd is.
  2. Vul tot slot de applicatieinstellingen devops.BuildId, devops.DeploymentId en devops.EnvironmentId in de instellingen van de App Service van het CMS. De waardes hiervan kunnen gevonden worden in de query string van de URL van respectievelijk de Build Pipeline, de Release Pipeline en het bewerken van stage in een Release.